Vergeten schoolkind.
Eindelijk had Rotterdam toch ook eens een roerend geval van het vergeten schoolkind kunnen hebben. Aan toevallige omstandigheden is het echter te danken, dat de ontwikkeling van het geval in een pril stadium reeds werd tegengehouden, zoodat het kind zich niet lang „gevangen” heeft gevoeld.
De feiten waren deze:
Gisternamlddag 5 uur gingen de Oranje-Nassau-scholen aan den Beukelsdijk, hoek Velzenluststraat, uit. In een paar minuten was de lagere school leeg. Alleen een vijftal kinderen moest eenig werk na blijven maken in een lokaal aan straat. Het hoofd der lagere school, de heer C. de Bruyn, had het toezicht op de kinderen. Om kwart over vijf zou hij den „nablijvers” verlof hebben gegeven, heen te gaan. Toen de heer De Bruyn zelf om half 6 het gebouw verliet, verkeerde hij in de veronderstelling, dat er niemand meer in de school aanwezig was.
Intusschen moet het jongetje, de 10-jarige D. M., van den Beukelsdijk, leerling der vijfde klasse, niet hebben gehoord, dat de hoofdonderwijzer verlof tot heen gaan had gegeven. Althans, de andere „nablijvers” hadden van het verlof gebruik gemaakt en hij niet. Rustig was het jongetje met zijn werk, dat nog niet af was, verder gegaan.
Toen hij nog eenigen tijd had doorgewerkt, is hij kwasi naar de W.C. gegaan, om te kijken, of de fiets van den heer De Bruyn nog in het gebouw stond. De fiets was er echter niet meer en toen pas merkte het ventje, dat hij alleen was in het gebouw. Zenuwachtig is de jongen naar den ingang gegaan. Daar heeft hij de binnendeuren geopend en is hij komen te staan voor de buitendeuren, die gesloten waren. Het jongetje heeft toen door de groote glazen ruiten met kloppen en roepen de aandacht van twee toevallig voor bij komende heeren op zich gevestigd.
De voorbijgangers bleken twee rechercheurs te zijn, die van een bordje, opgehangen achter een venster op den hoek van den Beukelsdijk, het adres van de conciërge, mejuffouw Van H. aan de Jan Sonjéstraat aflazen, waar zij den sleutel van de lagere school gingen halen. Mejuffrouw van H. was met de rechercheurs teruggegaan, om het jongetje te bevrijden. Het was toen vóór 6 uur. Een kwartier lang ongeveer moet het jongetje zich gevangen hebben gevoeld. De heer De Bruyn deelde ons vanochtend mede, dat, als het ventje de aandacht van de rechercheurs niet op zich had kunnen vestigen, hij zeer zeker een onderzoekingstocht door het gebouw zou hebben ondernomen en dan had moeten bevinden, dat de deur van het gymnastiekgebomv niet gesloten was. Dan had het jongetje zekerlijk de vrijheid kunnen hervinden. Zou hij door zenuwachtigheid tot dien onderzoekstocht niet in staat zijn geweest, dan zou hij na een half uurtje, vast zijn gevonden door den mannelijken conciërge van de tweede Oranje Nassau-school, die altijd nog even terug pleegt te komen om een ronde door het geheele gebouw te maken.
Nu had het jongetje vóór 6 uur de vrijheid weer hervonden. Thuis had men het laat komen door familie-omstandigheden nog niet eens bemerkt. Vóór het eten was het ventje alweer thuis.
's Avonds heeft de heer De Bruyn nog een bezoek gebracht aan de familie van het jongetje, dat een kwartier na het gebeurde alweer liep te fluiten.
Zoo is het Rottendamsche geval van het vergeten schoolkind dus gelukkig van een heel „makken” aard geweest.